artikel 05/02/2010
intro
8

God verdient geen hoofdletter

David Troch (32) is oud-student Pers en Voorlichting van de KHMechelen. Nu is hij een schrijver, dichter en een toneelauteur met een hekel aan hoofdletters.

Wanneer heeft de schrijfmicrobe jou gebeten?
David Troch: ‘Ik ben ondertussen op de leeftijd gekomen om te zeggen dat ik al meer dan de helft van mijn leven bezig ben met schrijven. Eerst beperkte ik mij tot poëzie. Op proza heb ik mij pas gestort na een verslag van een kroegentocht die ik naar een paar vrienden had gestuurd. Zij vonden dat leuk om te lezen en zo ben ik meer en meer van die dingen gaan sturen. Nu is dat een groep van ruim vijfhonderd personen en heb ik meer dan vierhonderd verhalen gestuurd.’

We lazen dat je een hekel hebt aan hoofdletters. Vanwaar die haat?
‘Dat is eigenlijk heel simpel en geldt enkel over mijn poëzie. Ik gebruik nergens hoofdletters. Geen enkele letter verdient het meer te zijn dan een andere letter. Ik geef ook geen hoofdletters aan landen of aan woorden zoals ‘god’. En ook niet na een punt. Dat is een keuze die je maakt als dichter. Daarom heb ik er een hekel aan maar eigenlijk bekt dat gewoon goed in je biografie.’

Het is alom geweten dat schrijvers meestal niet van hun boekenverkoop kunnen leven. Wat doe jij nog om rond te komen?
‘Ik ben eerst begonnen als eindredacteur bij Gazet van Antwerpen. Dat heb ik twee en een halve maand uitgehouden. Dan ben ik ontslagen en heb ik een toneelstuk geschreven. Daarna ben ik dan aan de slag gegaan in een pr- en communicatiebureau, waar ik ondertussen bijna tien jaar zit. Ik schrijf, corrigeer en lay-out persberichten. Ik doe ook public relations voor heel uiteenlopende sectoren. En zelfs joint promotions. Als je in de winkel spaaracties ziet voor dvd’s van Disney, dan zit ik daar achter.’

Als je zou moeten kiezen tussen poëzie, proza en toneel, wat zou je dan de rest van je leven doen?

‘Dan kies ik niet. Echt waar, je hebt auteurs die zich aan één genre van de literatuur kunnen binden, maar ik kan dat niet. Ik heb momenteel zelfs een idee voor een soort van thriller. Ik haal er mijn neus niet voor op om dat genre ook eens te proberen. Als ik met proza bezig ben, heb ik soms een zin of een idee dat beter in poëzie past. In een Chinees regime zou ik het dus wel lastig hebben om te moeten kiezen.’

Is er een groot verschil tussen een gedicht schrijven en het voordragen?
‘Voor mij eigenlijk niet. Op de een of andere manier ken ik mijn gedichten vrij snel uit het hoofd. Dat heeft te maken met het feit dat ik in mezelf daarmee bezig ben. Een tijdje nadat ik een gedicht geschreven heb, kan ik het voordragen. Ik doe dat geregeld voor mijn vriendin. Als een gedicht gemakkelijk voor te lezen is, is er meer kans dat het toegankelijk blijft bij de mensheid. Het voordragen op zich heb ik vooral in het poetry slam-circuit geleerd. Daar heb je drie minuten om je ding te doen en vaak gebeurt dat zonder papier. Dan moet je er wel staan.’

David Troch: 'Mijn inkomhal is één grote boekenkast'


Hoeveel ken je er uit het hoofd denk je?
‘Ik heb ooit met een vriend een dialoog gehouden waarbij iemand met een gedicht begon en de andere erop inpikte met een ander gedicht. Dat hebben we een half uur gedaan, zonder dat we op papier konden terugvallen. Nu doe ik dat ook met mijn vriendin. Al houden wij wel onze bundels en onze nieuwe gedichten bij de hand.’

Iedere schrijver heeft wel eens een writer’s block. Waardoor krijg jij inspiratie?
‘Door alles. Door jullie die mij vragen stellen bijvoorbeeld. Eén zin kan voldoende zijn voor een verhaal. Toen ik op een bepaald moment naar huis reed, moest ik ergens naar links en stond er een raar soort fabriek voor mij. Toen kreeg ik de zin ‘aan de puntje puntje fabriek moet u links af’ in mijn hoofd. Dat was dan de aanleiding om 8 000 woorden lang, volle bak te gaan. Af en toe zitten mijn vriendin en ik voor Jeugd & Poëzie op festivals of in bibliotheken. De mensen komen naar ons en geven ons enkele woorden. Binnen het kwartier hebben we dan een gedicht klaar. Dat is dan uiteraard geen wereldliteratuur, maar af en toe kan je er wel op verder gaan.’

Enig idee wat voor publiek je hebt?
‘Ze mogen zich bekend maken zou ik zeggen! Ik zou het echt niet weten. Als ik optreed, kijk ik wel naar het publiek om de gedichten die ik breng wat aan te passen. Maar ik weet niet wie mijn bundels leest.’

Naar welke schrijvers kijk je op?
‘Remco Campert en Leonard Nolens zijn toch wel zeer belangrijke voorbeelden. Internationaal kan ik enorm genieten van Douglas Coupland en qua poëzie Charles Bukowski. Niet onbelangrijk tegenwoordig is mijn eigen vriendin Sylvie Marie, die zelf ook met poëzie bezig is. Het is moeilijk om één schrijver te noemen en het is soms raar om auteurs te ontmoeten waar je vroeger naar opkeek. Het is wel leuk om de mens achter de schrijver te ontmoeten. Die schrijversontmoetingen zijn ook heel warm. Als schrijver leer je daar nog meer van dan van het lezen zelf.’

Zijn er dingen die je zeker nog wil realiseren?
‘Ik ben op dit moment bezig met drie dichtbundels tegelijkertijd. Die wil ik ooit wel afkrijgen. Ik wil absoluut een roman ooit geschreven krijgen. Alleen vergt dat tijd uiteraard. Om te schrijven moet je tijd hebben. Ik wil nog heel veel dingen doen. Ik wil weer een nieuw toneelstuk schrijven. Er zijn enkele toneelgroepen bezig met teksten van mij, dus dat begint wel terug te lopen. De gemeente waar ik nu woon, Sint-Denijs-Westrem heeft ook interesse om mij met Kerstmis iets te laten doen rond toneel. Ik heb heel veel ideeën en ben heel veel aan het schrijven.’

Staat een film maken ook op je lijstje?
(denkt na) ‘Kort en bondig: ja. Maar ik heb er nog geen ideeën voor.’

Wat is de beste regel die je ooit geschreven hebt?
‘Laat ons hopen dat ik die nog moet schrijven. Maar tot nu toe zal dat een zin zijn uit mijn nog ongepubliceerd werk. Het gedicht gaat over een huwelijksaanzoek en de zin luidt: één woord wil hij.’

Ben je tevreden over je opleiding op de KHM?

‘Ja, ik heb er veel aan gehad. Ik vond het leuk omdat je verschillende dingen kon doen. Het was niet alleen schrijven maar je leerde ook fotograferen en filmen. Soms heb ik een beetje spijt dat ik vroeger niet beter mijn best heb gedaan. Dan had ik verder kunnen doen met Latijn zodat ik Germaanse kon studeren. Ik heb intussen met enkele vrienden een nieuw literair tijdschrift opgericht, Kluger Hans. De achtergrond die je hebt als Germanist is dan toch welgekomen.’

Welke docenten zijn je het meest bijgebleven?

(denkt heel lang na) ‘Frank Hellemans, Trees Verleyen en Wilfried Vanden Bossche.’
 

Als afsluiter geven we jou vier woorden en jij maakt er een gedicht van voor supo. De woorden Linda, trampoline, bloem en luisteren, moeten erin voorkomen.

the rambler

op en neer en neer en op,
linda springt en springt naar lucht.
misschien een salto, misschien
ook niet. misschien moet zij
haar benen breken, is
de trampoline some evil bitch.
kan zij luisteren naar
botten en schreeuwen
blijft de bloem de bloem
met geuren.

David Troch, laat[avond]taal, Poëziecentrum, 2008
http://www.davidtroch.be

 

© tekst en foto's: Karen Coomans en Anke Geelen


 
comments